<Foto: Toilet; Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, CC BY-SA 4.0 <https://creativecommons.org/licenses/by-sa/4.0>, via Wikimedia Commons>
Uit onverschilligheid of uit tijdgebrek, misschien wel beide tegelijk, hadden de nabestaanden haar spulletjes zonder enige piëteit opgeruimd. Prullaria weliswaar maar ze waren toch wel erg persoonlijk. Nu lagen ze op de markt en dacht een handelaar er nog een paar Euro’s aan te kunnen verdienen. Veel geloof had hij er niet in want ze lagen ordeloos uitgestald en maar heel weinig passanten namen de moeite om ernaar te kijken.
Een glazenasbak, die de jeugd al niet meer herkent, een blikken vaasje waarin je hoogstens drie bloemen kwijt kon, want een boeket kon ze zich niet veroorloven en wat voorwerpen die je vroeger samenvatte onder de benaming muurtooi. Waaronder een tweetal ingelijste reproducties van landschappen die op de kleurenkalender van de AVRO hadden gestaan. Voorts een houten schijf uitgezaagd uit een berkenstam met nog de schors als omlijsting die gladgeschuurd en gelakt was met daarop een afbeelding van een huisje op de hei. Gepenseeld in wat eens frisse kleuren waren en met daaronder de spreuk: In een huisje klein kan men gelukkig zijn. Zo’n plankje was ooit een populaire wandversiering geweest bij dat deel van de bevolking, dat zich geen tekening of ets kon veroorloven. Dat klein behuisd was en dit had opgehangen als remedie tegen de irritatie van “boven op elkaar zitten.”
Zou zo’n wandversiering de animo onder ouderen om te verhuizen kunnen stimuleren? Om hun riante woning in te ruilen voor een klein appartement waarin ze opgehokt worden? Dat doen ze dan uit betrokkenheid want er heerst woningnood en de jeugd, kan geen betaalbare woning meer vinden. Zo dragen ouderen bij aan de oplossing van dat probleem, zo valt te beluisteren. Om dat nu te stimuleren zou de overheid de bejaarden zo’n plankje kunnen toesturen. Maar zouden die daar gevoelig voor zijn? Vele ouderen zullen zich nog de dagen van weleer herinneren toen je in zo’n huisje woonde en als kind de straat op werd gestuurd om te spelen. Vaak was dat kattenkwaad, toen nog onschuldig geplaag als je weet wat je nu moet uithalen om bij een jeugdbende te mogen horen.
De oude vrouw was niet kerkelijke geweest want in menig huis van een gereformeerd gezin ontbraken voorstellingen van landschappen, die waren te werelds. Als teken aan de wand hing bij hen vaak een ingelijste lap zwarte stof met daarop geborduurd in krullige zilveren letters een Bijbelse spreuk of vermaning. Eveneens bedoeld om de bewoners te verzoenen met hun gebrek aan woongenot.
Voorts lagen er enkele boeken van Hedwig Courths – Mahler zij was in de vorige eeuw een populaire schrijfster van een genre dat denigrerend keukenmeidenromans werd genoemd. Deze verschenen ook in Nederland in grote oplages. Clichematige verhalen die altijd eindigden in een huwelijk. Een genre dat onuitroeibaar is. Tegenwoordig tref je ze aan in de Bouquet Reeks. Ik raapte er twee op: “Haar recht op liefde” en “Heiligdom des harten.” De oude dame moet gesmacht hebben naar romantiek.
Voorts lagen er allerlei papparassen en wat men vroeger kattenbelletjes, korte briefjes met alledaagse opmerkingen en aanwijzingen, noemde. Daartussen lag ook nog een oude verjaardagskalender met voor elke maand een afzonderlijk blad waarop de namen van personen genoteerd konden worden. Dat waren de verjaardagen van familieleden, verre verwanten en voorts belangrijke gebeurtenissen zoals een aanstaand jubileum enz. Deze kalender, eigenlijk een agenda, werd bijeengehouden door een koordje waaraan ze ook opgehangen kon worden. Daarvoor was er een vaste plek, de toiletdeur.
Zo’n verjaardagskalender werd door mijn generatie als oubollig beschouwd. Wij wilden vrij zijn en niet gevangen zitten in een web van familierelaties. Waarbij wij met afkeer terugdachten aan familievisites waarop je je keurig moest gedragen en die voor een kind een eeuwigheid duurden. Dus schaften wij ons geen verjaardagskalender meer aan. Wij gebruikten om gebeurtenissen te noteren een bureau- of zakagenda. Nu iedereen op de computer en op zijn telefoon alles bijhoudt, zijn verjaardagskalenders vast uitgestorven, zo dacht ik. Maar dat bleek niet te kloppen. Toen ik op internet keek, zag ik dat er nog steeds verjaardagskalenders worden uitgegeven. Maar die zijn wel een stuk hipper dan die uit mijn jeugd.
Ik viste de verjaardagskalender op uit de stapel. Er stonden nogal wat namen op. De maand mei was zelfs vol. Het gevolg van een lichtzinnige nazomer. Sommige namen waren doorgehaald. Overleden of na een ruzie verwijderd? Voorts nog wat summiere notities. Het bijhouden van de verjaardagskalender was een taak van moeder de vrouw. Geen onbelangrijke taak, want het bijhouden moest zorgvuldig en weloverwogen gebeuren. Wie zette je er wel op en wie niet. Families waren vroeger omvangrijk met veel oom en tantes en neven en nichten. Te veel om van allemaal de verjaardag te kunnen onthouden. Hoe reageerde je daarop, stuurde je een ansichtkaart, een brief of ging je op verjaardagsvisite? Het leven was ook vroeger gecompliceerd. Nu de postbezorging nog verder wordt vertraagd en het onzeker is of de gelukwens nog op tijd komt, is eenvoudig appen en mailen een uitkomst.
Niemand mocht worden vergeten. Dat zou gekwetste gevoelens veroorzaken en kon economische consequenties hebben. Want vroeger werd er in familieverband vaak geld geleend voor het opstarten van een bedrijfje of de aankoop van een woning. Daarvoor kon je moeilijk bij een bank terecht. Voorts moest er gezamenlijk gezorgd worden voor de oude dag van vader en moeder en voor eventuele oude vrijsters. Daarover was onderling overleg noodzakelijk en goede persoonlijke verhoudingen want anders ontaardde die zorg vaak in onderlinge ruzies.
De noodwet Drees uit 1947 die voorzag in een staatsuitkering aan “Ouden van Dagen” zonder pensioen was voor veel bejaarden een uitkomst. Die voorkwam vele kwade gezichten en familieruzies. Drees werd dan ook als vadertje Drees vereerd. In 1957 werd deze regeling uitgebreid tot de AOW waarbij iedere Nederlander ouder dan 65 jaar voor een staatspensioen in aanmerking kwam.
De verjaardagskalender was dus uiterst belangrijk en had een vaste plek waar deze elk gezinslid onder ogen kwam, namelijk de binnenkant van de toiletdeur! Wanneer je op visite ging, dan behoorde je die verjaardagskalender te negeren. De kalender bestuderen was onbehoorlijk, het was een inbreuk op de privacy van de familie. Daarom mocht je er ook niet langer op het toilet verblijven dan hoogstnoodzakelijk was om daarvan niet verdacht te worden. Was je ergens op beleefdheidsbezoek dan moest je proberen je plas zo lang mogelijk op te houden.
Een verjaardagsvisite was maar in beperkte mate een spontaan gebeuren, men moest zich wel aan bepaalde gedragsregels houden en het waren de vrouwen die daarover waakten. Er mochten geen oude vervelende koeien uit de sloot worden gehaald en over politiek en godsdienst mocht al helemaal niet gepraat worden. Want Friesland was godsdienstig en politiek diep verdeeld en dat zag je terug in families. Praten daarover leidde onherroepelijk tot kwaaie gezichten en soms tot ruzies. Aan de vrouwen de opdracht om het gesprek over koetjes en kalfjes gaande te houden en zo de lieve vrede te bewaren. En dat deden ze bij een advocaatje of een glaasje met boerenjongens.
Ik ken de historie van de verjaardagskalender niet en welke drukkerij of uitgever deze als eerste op de markt bracht. Maar het zal – zo veronderstel ik – gebeurd zijn toen de wc, het watercloset, zijn intrede deed. De wc was een uitvinding van de Engelsman Joseph Brahmah en had grote gevolgen. Door de poep niet meer in een ton op te vangen maar deze met veel water weg te spoelen, verminderde de stank en zo kon je het langer op het toilet uithouden. Het dwong de overheid wel tot het aanleggen van een rioolstelsel. Dat leidde weer tot verontreiniging van het oppervlaktewater. Voorts kon poep niet meer verzameld worden en zo als natuurlijke meststof dienen.
De wc was lang niet altijd een toevluchtsoord waar iedereen in hoge nood maar naar toe kon gaan. Zo waren er bedrijven, departementen enz. die een afzonderlijk directietoilet installeerden. Want voor je stoelgang naar dezelfde plee gaan waar ook het personeel kwam, was een afgang. De directeur hoorde daarboven verheven te zijn. Mr J. W. Beyen schrijft in zijn memoires dat een Amsterdamse regent hem vertelde, dat toen hij benoemd werd als adjunct-directeur bij een gerenommeerd handelshuis aan de Herengracht, hij als teken van waardigheid een sleutel uitgereikt kreeg. Niet van de kluis, maar van het directietoilet.
Ik heb hetzelfde meegemaakt. Toen ik benoemd werd als adjunct – secretaris van de KvK gaf de secretaris mij de sleutel van het toilet dat bestemd was voor het secretariaat en het bestuur. Later als directeur van een bank ontdekte ik dat de ruime directiekamer ook een toilet bezat. Van beide toiletten heb ik geen gebruik gemaakt. Ik vond dat, als ik mijn werknemers als medewerkers zag, ik als directeur er niet een aparte toiletgang op na kon houden. Dat was te elitair.
Bij een openbaar toilet wordt in Japan, zo las ik eens, muziek ten gehore gebracht. Die muziek bevordert misschien de stoelgang, maar is toch meer bedoeld om ongewenste geluiden te overstemmen. Waarvoor de Japanner en ook wij ons schamen. Dat schamen doen wij toch al als wij naar het toilet moeten. Daarom zouden wij dat Japanse gebruik moeten overnemen. De toiletjuffrouw kan dan bijvoorbeeld kiezen voor een vrolijke evergreen of het verlossende openingsmotief uit de vijfde symfonie van Beethoven.
Wie op het toilet een ongewoon geluid voortbracht, was Jo Juda. Deze eertijds zeer bekende violist studeerde als jongeman het vioolconcert van Mendelssohn in terwijl hij op de bril van de wc zat. Wel ongemakkelijk maar in die kleine gehorige huizen zorgde het geïsoleerde toilet voor minder geluidsoverlast bij de buren.
Wij gaan dagelijks vaker naar het toilet dan voorheen. Vroeger kon een geheel gezin met een ton per week toe! Dat valt nu niet meer voor te stellen. Veel mensen hadden vroeger last van constipatie. Niet voor niets werd toen de wc het gemak genoemd. Men zat er geruime tijd te wachten tot het moment suprême. Die constipatie kwam niet alleen door de zware kost die men at, maar ook door de gewoonte heel weinig water te drinken. Soms dronk men op een hele dag maar twee koppen koffie en twee koppen thee. Water drinken bij een warme maaltijd was nog in mijn jeugd "not done". Je spoelde je eten niet met water weg! Dat was onbeleefd en ongezond.
Ik merk dat een verjaardagskalender veel los maakt. Maar ik wou het bij deze overpeinzingen laten. Immers het gemak blijft een onderwerp dat je ook in onze tijd het liefst onbesproken laat.
Leeuwarden 2024